Eén ei

In de winter een huis verbouwen kan in het voorjaar soms voor onverwachte problemen zorgen. Smeltende stuifsneeuw die in straaltjes langs de net gesausde muur loopt of een scheur in de nieuwe fundering wanneer de vorst uit de grond trekt. Wij hebben vooral last van de kiertjes, holten en richels die we onbedoeld aanlegden voor dieren met nesteldrang. Ook al breng je meters gaas aan en druk je menige kitspuit leeg, altijd is er wel een inventief stel met kinderwens dat een geschikte opening weet te vinden. Van wesp tot kwikstaart en van boktor tot steenmarter.
Zo moesten we dit voorjaar vele 'wespenparapluutjes' verwijderen uit de nok van het nieuwe overdekte balkon en ook een vogelnest van de richel boven de toegangsdeur. Dat paste eigenlijk niet op de smalle rand en wiebelde vervaarlijk wanneer de deur gebruikt werd. Getuige de berg mos, takjes en wol voor de deur, was het al een paar maal naar beneden gestort. We hadden duidelijk met een volhardende maar ook domme vogel te maken en meenden erger te moeten voorkomen door het nest te verwijderen nu het legsel nog incompleet (drie-eiig) was. De volgende dag lag er een eenzaam vierde eitje op de kale richel. Wij hielden elkaar voor dat de vogels nog ruimschoots gelegenheid hadden om een nieuw nest te bouwen en timmerden schuldbewust drie extra nestkasten.
Kleine vogels leggen al gauw een handvol eitjes en krijgen meerdere kuikens maar bij grote vogels kan dit heel anders uitpakken. Zo produceren ganzen met gemak een mand vol eieren en worden in het voorjaar door een hele sliert jonge gansjes gevolgd. Maar een pinguïn – toch ook geen dwerg – heeft al moeite om één ei uit te broeden en het jong van voldoende voedsel te voorzien. Het hangt vooral van de overlevingskans van de kuikens en de levensduur van een vogelsoort af welke leg strategie deze aanhangt.
Een steenarend bijvoorbeeld hoeft echt geen vier eieren te leggen. Zo'n grote roofvogel wordt immers veel ouder dan een koolmees (wel 25 jaar), heeft meer dan genoeg te eten en zijn jongen vallen niet ten prooi aan katten, kraaien of marters. Je zou zeggen, leg één ei en prop je enig kind vol met lekkere hapjes.
Een steenarend vertroetelt zijn jongen inderdaad geweldig maar speelt ook op safe door een reserve ei te leggen. Het tweede jong komt later uit dan het eerste en wordt vrijwel altijd zonder pardon door de oudste opgegeten. Dat is slimmer dan het eerst laten groeien om het dan over de rand van het nest te kieperen, zoals je ook wel eens van roofvogels hoort. Soms wordt dit Kaïn & Abel drama bij steenarenden voorkomen, zoals vogelonderzoekers onlangs ontdekten in ons Fyledal. Zij plaatsten vorig jaar een camera bij een steenarendnest in een oude boom. Een van de twee eieren bleek, na ruim dertig dagen bebroed te zijn, kapot en werd door moeder arend leeg gegeten. Was de eischaal te dun, landde vader onvoorzichtig op het ei of merkte moeder dat het embryo dood was en brak ze het ei met opzet? Niemand die het weet want de camera nam maar om de paar minuten een foto. Het was sowieso al een mirakel dat dit jaar foto's van een broedend paar beschikbaar kwamen want steenarenden hebben wel vier mogelijke nestelplaatsen binnen hun territorium en kiezen pas op het allerlaatste moment welke ze dit jaar zullen gebruiken. En dat is vaak nu juist niet het nest waar de vogelonderzoekers hun camera installeerden. Het levert weliswaar leuke beelden op van bezoekende eekhoorns, kraaien en marters maar dat is een schrale troost.
Tegenwoordig werkt de aloude één-kind-strategie voor steenarenden niet meer. Afgelopen jaar werden twee pubers geëlektrocuteerd doordat ze bij slecht geïsoleerde contactpunten van een hoogspanningsleiding gingen zitten om hun vleugels eens lekker te spreiden. En ook met windmolens weten jonge steenarenden niet altijd goed om te gaan. Bovendien verstoorden al te fanatieke natuurfotografen twee nesten zodat de bewoners hun eieren niet uitbroedden. Als mensen zich niet aanpassen zal het snel gedaan zijn met de steenarenden in het Fyledal. Je kunt tenslotte niet verwachten dat zij opeens vier of vijf eieren gaan leggen en dat de jongen al in het nest veranderen in tolerante broertjes en zusjes. Voor een dergelijke mutatie moet je veel korter leven en veel meer jongen maken zoals virussen, muizen en koolmezen doen. Vooral pinguïns, steenarenden, orang-oetans en neushoorns hebben last van ons.

© Roelke Posthumus, mei 2014