Eerst wit, dan geel, dan blauw

Eind april en voor mij nadert een moeilijke tijd. Niet vanwege een allergie voor pollen van hazelaar of berk maar omdat ik overtrokken reageer op felle kleuren. Geef mij maar wit, lichtblauw of violet. Donkergroen of roodbruin is ook oké. Mensen met een forsythia in de voortuin of, nog erger, met een kale struik, versierd met veelkleurige veertjes, kunnen op mijn onbegrip rekenen.
De winter heliotroop en het sneeuwklokje maakten al weken geleden plaats voor bescheiden bloeiende witte, zachtblauwe en bleekgele bloemetjes. Elke ochtend wandelde ik opgewekt over een tapijt van bosanemonen met zo hier en daar een bescheiden bloeiend geel bossterretje.
Tot gisteren dus. De voortekenen waren er al in de vorm van speenkruid en klein hoefblad maar die stellen zich van nature vrij bescheiden op. Maar nu is het helemaal raak. Alle weilanden, gazons en wegbermen zijn bedekt met obsceen felgele paardenbloemen. En waar deze een vochtig plekje vrij laten, bloeien dotterbloemen even fel. Vanwaar deze overdaad?
Dit is het beste te beantwoorden door uit te zoeken hoe bloeiende planten aan nageslacht komen want daarom draait alles in de natuur. Het sneeuwklokje vermeerdert zich vooral door bolletjes te maken en de winter heliotroop via woekerende wortelstokken. Ze wisselen dit af door zo nu en dan, met de hulp van bij of hommel, aan seks te doen. Omdat er in februari nog geen andere bloemen bloeien volstaat het daartoe een bescheiden lokkleur te voeren: wit dus. Een eenzame bloeier kan er immers vanuit gaan dat vroege insecten honger hebben en extra goed uit hun facetogen kijken.
Eind april werkt dit echter niet meer, zeker niet voor een plant zonder bolletjes of wortelstokken, die het van uitsluitend seksuele voortplanting moet hebben. Voor een paardenbloem is het dus vooral zaak om sneller te groeien dan het omringende gras en een opvallender kleur te tonen dan alle andere bloemsoorten. Op die manier kunnen de ontwakende bijen en hommels niet meer om je heen. Maar zelfs een felgele bloem redt dit kennelijk niet in haar eentje en dus bundelen paardenbloemen hun krachten en bloeien met velen in een korfje. Wat wij voor een bloem aanzien is in werkelijkheid een boeket van vele identieke bloemetjes. Een geler dan geel boeket dat in een weiland met miljoenen andere felgele boeketten staat. En dit alles tegen een frisgroene achtergrond.
Planten met felgele bloemen worden steevast aangeduid met de toevoeging bloem in plaats van bijvoorbeeld kruid of plant: paardenbloem, boterbloem, dotterbloem. De bloem is verreweg het opvallendste deel van deze planten.
Kan dit nu niet iets kalmer, bijvoorbeeld rood? Nou nee want het insectenoog is blind voor rood. Het neemt vooral geel, blauw, violet en ultraviolet waar en geel het beste. Zelfs duffe bijen, zo uit de winterslaap, weten een paardenbloem gemakkelijk te vinden.
Maar zou iets minder fel geel ook niet voldoen? Helaas wreekt zich hier het geweldige succes van de paardenbloem. Met miljoenen staan ze dicht opeen gedrongen in het weiland en allemaal willen ze bevrucht worden. Paardenbloemen zitten in een spiraal van steeds maar geler en feller, in een moordende wedloop. Hoe geler, hoe beter.
Nu duurt het gele leed maar kort. Voor je het weet is een felgele bloem veranderd in een grijswitte bol vol pluizige zaden, die gemakkelijk door de wind verspreid worden. Mits de paardenbloem inmiddels een lange steel gemaakt heeft zodat deze nog steeds boven het gras uitsteekt. En dit alles ruim voordat de weilanden gemaaid worden. Een paardenbloem heeft het goed bekeken.
Over een week of zes zijn de geelgroene weilanden om ons heen verdwenen maar dan staan de arme roggeakkers vol met klaprozen. Die bloeien even overdadig als de paardenbloemen maar dan mooi diep rood en niet voordat de rogge op hoogte is. Zo kan het dus ook. De rode kleur is overigens een bijproduct want bijen zien klaprozen 'bijenpurper', een soort ultraviolet gemengd met geel, waar wij geen weet van hebben. Klaprozen zijn daardoor voor bijen minstens zo opvallend als paardenbloemen.
Gelukkig ben ik baas in eigen tuin en leef mij uit in vele schakeringen paars, violet, blauw, bleekgeel, wit en 'bijenpurper'. Kom ik een paardenbloem in de dop tegen dan gaat deze zonder mankeren op de composthoop.

© Roelke Posthumus, april 2014