Een geboren leider?

Leiders worden niet kant en klaar geboren en je kunt ze ook niet van elke willekeurige manager maken. Alleen een kind kan een goede leider in elkaar knutselen.

De navelstreng is nog niet doorgeknipt of een baby knoopt banden aan met de mensen rond zijn wiegje. Dat is de enige manier om te voorkomen dat hij verkommert in een hoekje van de bijkeuken. Na een periode met lieve glimlachjes en schattig gebrabbel, besluit een kind zich te voegen naar de groepen – gezin, kleuters, buurtgenoten – waar het deel vanuit maakt. Dit is allemaal erg verstandig want rare types zonder relaties hebben doorgaans meer moeite om te overleven dan aangepaste mensen met een netwerk. Paradoxaal genoeg krijgt een kind echter ook al jong een onbedwingbare lust om zich te onderscheiden binnen zijn sociale groep. Het ene kind besluit de beste te worden in breakdancen, een ander in wiskunde en een derde zit de godganse dag op zijn gitaar te tokkelen. Sommigen worden goede vechters, anderen gaan geweldig moederen of worden de mooiste of de slimste. Kinderen experimenteren en oefenen wat af.
Het vinden van een herkenbare positie of status begint met aanleg maar wordt bevestigd of verzwakt door toevallige omstandigheden – het bezit van een piano of een PC, een inspirerend voorbeeld, de nabijheid van een voetbal veldje – en het applaus van anderen. Omdat elk lid van een groep de status van de anderen kent en weet wat er bij hen te halen is, kan er onderling geruild worden en ontstaat samenwerking. Een mens zonder herkenbare status en identiteit is letterlijk een nobody en heeft een flinke dobber aan het leven. Natuurlijk kent een gezond kind zichzelf goed genoeg om een haalbare status na te streven. Wanneer je de ene noot niet van de andere kunt onderscheiden is het verstandig je krachtig tegen opgedrongen muzieklessen te verzetten en wanneer je zus geweldige taarten bakt, kun jij beter kanaries gaan fokken.
Welnu, elke leider in de dop merkt al vroeg dat hij graag het voortouw neemt. Dat doen wel meer kinderen met een talent voor leiderschap maar een toekomstig leider onderscheidt zich door zijn fanatieke inspanningen om nu juist dit talent te ontwikkelen. Dat doet hij niet tegen de stroom in maar in wisselwerking met zijn omgeving. Hij pakt toevallige kansen – de oudste in een groot gezin of de sterkste of grootste in de klas – en let goed op of de kinderen in zijn omgeving hem gaan volgen en zo aangeven dat hij op de goede weg is. Is dat het geval dan wordt hij steeds meer een vanzelfsprekende leider. De aanleg voor leiderschap geeft dus weliswaar de bandbreedte, maar de motivatie en inspanning van de jonge leider bepalen de uiteindelijke uitkomst.
Een goede leider blijft zijn leven lang sleutelen aan zijn status, evenals een virtuoze voetballer, een operazanger of een hartchirurg dat doen. Hij vindt dit geweldig leuk, pakt elke kans om voorman, trekker of baas te worden en blijft zijn hele leven opletten of hij lof of afkeuring krijgt.
Wij, volgers moeten een goede leider dus vooral steunen in zijn pogingen nog beter te worden. Hem uit het niets scheppen of van een willekeurige manager boetseren zal niet lukken want in de vroege kinderjaren zijn de scheidslijnen al getrokken tussen volgers, betweters, despoten en goede leiders. Tegen de tijd dat iemand voor een positie als leider in aanmerking komt, staat hij aan de ene of de andere kant van de scheidslijn en geen leergang leiderschap, coaching of seminar kunnen hem helpen hierover heen te springen. Al was het maar omdat hij zijn talent voor hoogspringen vanaf de kleuterleeftijd ernstig heeft verwaarloosd.

© Roelke Posthumus, 2012