De leider van de roedel

Vele zoogdieren hebben geen enkele behoefte aan leiding. Bij sommige is leiding onbetwist zolang het duurt.

Een kat gaat volstrekt haar eigen gang. Er zijn wel andere katten maar die gaan ook hun eigen gang. Katten kennen het begrip leiderschap niet omdat een leider gedefinieerd is door het hebben van volgers en geen kat leent zich daartoe. Nu heeft een leider ook een doel nodig en doelen, die hebben katten wel. Alle katten willen een comfortabel leven vol aaitjes, warme lig-plekjes en lekkere hapjes. Katten vinden echter dat dit het beste bereikt kan worden zonder soortgenoten in de buurt en je ziet katten dan ook zelden een eindje samen op lopen. Ik heb hen ook nog nooit een gezamenlijk doel zien bepalen.
Runderen hebben wel gezamenlijke doelen. Zij moeten vermijden dat ze voortijdig door een roofdier gedood worden en ze moeten gras en water vinden. Doordat een rund zich duidelijk uit wanneer er een roofdier nadert wordt de hele kudde gewaarschuwd, ook de dieren die liggen te dommelen. Wanneer alle runderen in de kudde bij tijd en wijle opletten en signalen geven kun je van samenwerking en een gezamenlijk doel spreken. Maar volgen ze ook een leider, een rund dat altijd als eerste waarschuwt voor gevaar of de richting aangeeft waarin het gras groener is? Daar zijn geen overtuigende bewijzen voor. Elk rund staat op als haar wekker afgaat, tuurt links- of rechtsom in de verte, neemt een paar happen gras, doet een paar stappen, neemt weer een hap gras en dit uren achtereen. Alle andere runderen doen dat ook en de kudde kuiert 'als vanzelf' in de richting waarin het meeste gegraasd wordt. Let wel, dat leidt zelden naar een stenige kale vlakte, maar de meeste individuen leveren wel eens een bijdrage aan de uiteindelijke richting waarin de kudde zich begeeft en elk rund signaleert wel eens een roofdier en geeft een waarschuwing af. Kortom, runderen zijn tegelijkertijd leider en volger en dat is slim wanneer je in een grote onoverzichtelijke groep leeft. Een buurman kun je immers gemakkelijk waarnemen maar een leider, aan de andere kant van de kudde, niet. Runderen zijn dus weliswaar interessante dieren maar niet door hun opvallend vermogen tot leiderschap. Zij voldoen eenvoudigweg niet aan twee andere voorwaarden voor leiderschap, namelijk een duidelijke noodzaak daarvoor en het kunnen waarnemen en begrijpen van het gedrag van een leider.
Wolven voldoen wel aan deze twee voorwaarden. Een eenzame wolfin kan niet voldoende voedsel bemachtigen voor haarzelf en haar welpen. Grote prooien doden is dan ook het belangrijkste gezamenlijke doel van een roedel wolven. Wolven jagen gecoördineerd en zijn erg goed in het waarnemen en begrijpen van elkaars gedrag. Bovendien werken wolven niet alleen samen maar doen zij ook aan arbeidsdeling en ruilen zij met elkaar. Zo jagen de jonge snelle vrouwtjes een kudde prooidieren op om te zien welke dieren het zwakste zijn, terwijl de sterkere volwassen mannetjes de geselecteerde prooi uiteindelijk aanvallen en doden. Onder deze omstandigheden kan een meer permanente vorm van leiding ontstaan als een van de diensten om te ruilen tegen andere diensten. Die leiding wordt bij wolven geboden door een oppermachtig ouderpaar, de stichters van een roedel, die meestal uit meerdere generaties van hun nageslacht bestaat. De ouders zijn absolute heersers want wolven kunnen zich geen discussies, reflectie en inspraak veroorloven. Het ouderpaar bepaalt wanneer en hoe de jacht plaatsvindt en daarmee basta.
Hun leiding is echter niet onbetwist. Als de top-wolven oud en gebrekkig worden en niet meer zo volhardend en moedig zijn als in hun jonge jaren dan verdwijnt het respect van de volgers en wordt hun positie onmiddellijk ondermijnd. De wil van de leiders is dus wet zolang het duurt en de groep hen nodig heeft om het gezamenlijk doel te bereiken. Bij het minste teken van zwakte worden zij vervangen en dat gebeurt zo nodig met grof geweld. Dat is een kwestie van overleven voor de gehele roedel. Een leider doet er dan ook goed aan op de signalen van zijn groepsgenoten te letten. Als de bijval minder wordt kan hij maar beter opstappen of naar een andere positie in de roedel opschuiven anders loopt het slecht met hem af.

© Roelke Posthumus, 2012