Op een droogje

'Alcohol graag!' antwoorden de drie bezoekende Noorse studenten, op onze vraag wat zij willen drinken. De vervolgvraag naar hun voorkeur voor wijn, bier of misschien iets sterkers stuit op totaal onbegrip. 'Graag sterk, maakt niet uit wat, als we het maar in onze koffie kunnen gooien'. Binnen een uur drinken ze zich door onze voorraad jonge jenever en berenburg heen en liggen letterlijk onder de tafel. Het lijkt dus erg verstandig dat de Noorse overheid reeds jaren geleden voor drooglegging zorgde. Maar het kan natuurlijk ook zo zijn dat het gedrag van de huidige Noorse jongeren daar juist aan te wijten is. Met uitkomsten van onderzoek weet je het immers maar nooit. Soms veroorzaakt het een het ander maar het kan ook zijn dat het ander het een opwekt.


Hoe dit ook zij, in Noorwegen en Zweden kun je in de supermarkt uitsluitend bier met een laag alcoholpercentage kopen. Voor normaal bier, wijn en sterke drank moet je naar een vinmonopol, respectievelijk een systembolag, staatswinkels die bij voorkeur op die momenten geopend zijn waarop je niet aan het aanvullen van de drankvoorraad denkt. De drank is er twee- tot driemaal zo duur als in Nederland. Door de gestegen welvaart weerhoudt dit de Noren er niet van flinke hoeveelheden alcoholhoudende drank in te slaan. Die wordt vooral in huiselijke kring genuttigd. Doorzakken in een gezellig café is er niet bij want daarvoor moet je honderden kilometers rijden.
De traditie om zelf sterke drank te stoken overleefde de drooglegging en leidt elke winter weer tot een aantal doden door methanol vergiftiging. De drankhandel langs de honderden kilometers lange Noors-Zweedse grens bloeit ook als nooit tevoren want in Zweden is drank weliswaar niet goedkoop maar wel goedkoper dan in Noorwegen. Iedereen in Oost Noorwegen kan je vertellen wanneer er controle is bij de plaatselijke grensovergang.
De vele veerboten naar en van Denemarken en Duitsland doen ook goede zaken door de verkoop van belastingvrije alcohol.
Onbegrijpelijk is de verknochtheid aan drank natuurlijk niet in een land met zulke lange, koude en donkere winters. Bovendien zijn Noren verplicht op winterse hoogtijdagen traditionele gerechten te nuttigen zoals lutefisk (stokvis die door logen de consistentie en smaak van snot krijgt) en gegrilde schapenkop, mèt ogen. Dit alles is uitsluitend weg te werken door elke hap te laten volgen door een flinke slok aquavit. Bij geitost (ingedikte en vervolgens gekaramelliseerde wei) en nevergrøt (dikke roggepap met berkenbast en een klodder jam) is dat ook zeer aan te bevelen. Het lijkt wel alsof de Noren nog niet helemaal blij durven te zijn met hun nieuw verworven welvaart waardoor zij winter en zomer lekker en gezond kunnen eten, begeleid door een glaasje wijn. Of zouden de tradities uit een karig verleden vooral een excuus zijn om zich onder tafel te kunnen drinken?

© Roelke Posthumus, 2012