Nieuwkomers

Mijn moestuin vrij houden van mollen is een dagtaak maar het verbannen van woelratten is een nog grotere uitdaging.
Gewaarschuwd door de slechte ervaringen van Maarten 't Hart en vele anderen met diervriendelijke vangstmethoden, greep ik meteen naar de mollenklem toen dit voorjaar de eerste hoop verscheen. Mijn moderne klem, indien met zorg onder een molshoop geplaatst, doodt een passerend dier momentaan en ik ving er met enige regelmaat een mol mee.
Een woelrat trof ik echter nooit aan in de klem. Dat is ook nogal wiedes, want een woelrat schuift het zand niet omhoog uit zijn tunnel maar in een zijgang, waar hij zelden of nooit komt. Het onder een woelrat-hoop plaatsen van een klem heeft dus weinig zin. Bovendien rent een woelrat veel minder rond dan een mol. Hij hoeft immers niet almaar te controleren of er een regenworm in een van zijn tunnels ligt want die lust hij niet. Hij is een knager en wanneer hij een lekkere knol ontdekt kan hij dagen blijven zitten waar hij zit. Het totaal verschillende dieet van mol en woelrat verklaart ook waarom mijn hond duizend maal liever een woelrat dan een mol vangt. Die laatste stinkt vreselijk en is, evenals de carnivore spitsmuis, niet te vreten. Toek, de hond, weet echter niet wat hij te pakken heeft voor hij het diertje daadwerkelijk in zijn bek heeft dus hij blijft geduldig zijn best doen. Een erg gelukkige knaagdier-jager is hij niet. Dit in tegenstelling tot kat Nelson maar die heeft helaas een voorkeur voor de veldmuizen in het weiland van de buren, dus daar heb ik niets aan.
Na het vangen van tientallen mollen, had ik dus een moestuin vol tunnels van vooral woelratten en een jagende hond die uitbundig kuilen groef in de groentebedden. Mijn weerzin om de zachte fluwelen mollen met hun roze graafhandjes te doden was inmiddels ook flink toegenomen. Hoe zeldzamer een dier, hoe aaibaarder.
Dan toch maar een elektronisch trillende grondpen aangeschaft, die knaagdieren en mollen een seizoen lang op grote afstand zou weten te houden. De verklaring voor de werking van het apparaat leek mij niet onlogisch. Doordat een mol of woelrat denkt dat de trilling wordt veroorzaakt door een grond verzettende concurrent, zoekt hij zijn geluk bij de buren. Ik plaatste mijn grondpen midden in de moestuin zodat de trilling alle uithoeken bereikt. Bovendien blijft mijn hond dagelijks langs de grenzen van de tuin patrouilleren en verorbert zo nu en dan een hardleerse woelrat of spuugt een mol uit. Het lijkt te werken en wij genieten inmiddels weer van gave knolletjes, wortels en bietjes.
De nog niet ingestorte holen vormen perfecte schuilplaatsen voor onverwachte nieuwkomers: een stelletje padden. Als ik de planten giet besproei ik hun holletjes ook en, verdomd als het niet waar is, dan komen ze een eindje naar buiten gekropen om met hun snuit in de regen te zitten. In deze droge zomer vertroetel ik mijn padden elke dag want met hun brede bek vangen ze ijverig vette naaktslakken van de sla.
Op minder gewenste nieuwkomers werden we onlangs opmerkzaam gemaakt doordat we een roofvogel – type buizerd – met een vreemde hoenderachtige kop, in een oude molshoop zagen pikken. Even dacht ik dat we versterking kregen bij onze strijd tegen de gangen gravers. Toen de vogel na een tijdje genoeg kreeg van ons staren en frommelen met het vogelboek, vloog hij echter met lege klauwen op. Toen we een kijkje namen, ontdekten we een groeiend wespennest, dat reeds een paar oude mollen gangen vulde. De wespendief, want dat was de vreemd uitziende roofvogel, vond de raten met larven blijkbaar nog niet groot genoeg om deze mee te slepen. Gewoon laten groeien dus, dat wespennest.

© Roelke Posthumus, juli 2013