Het nut van achterdocht

De buurvrouw maakt voorlopig geen eenzame boswandelingen meer want er is een wolf in onze omgeving gezien. De reeën spitsen al dagen hun oren en spieden angstig om zich heen. De sneeuwhazen wiebelen ongerust met hun snorharen en hebben tegelijkertijd ogen in hun voor- en achterkop en zelfs de eekhoorns maken een gestreste indruk. Iedereen snuift voorzichtig en loopt op z'n tenen.
Achterdocht en paranoia zijn gewoon in de natuur. Iedereen vormt immers een lekker hapje voor een ander. Omdat zenuwachtig om zich heen spiedende prooidieren gedurende miljoenen jaren minder vaak door een hongerige rover werden gedood dan minder oplettende soortgenoten, kregen zij meer nakomelingen. Jonkies met de angst genen van hun ouders, die zelf dus ook steeds over hun schouder keken en meer jongen groot brachten. Een hele populatie volgepropt met angst genen was het gevolg.
Sinds de mens het voor het zeggen heeft is vrijwel elk dier een mogelijke prooi en zijn zelfs beren en wolven achterdochtig. Om tegenwoordig een glimp van een dier op te vangen moet je dus heel vroeg uit de veren en dagenlang met een verrekijker in een schuilhut zitten. Voordat je het fototoestel kunt pakken heeft het dier zich al weer schuw teruggetrokken. Dieren zijn alleen nog te bekijken bij voederplaatsen, in wildparken en op tentoonstellingen van geduldige fotografen.
Oorspronkelijk waren mensen echter helemaal geen gevreesde jager maar zelf een erg smakelijk en gemakkelijk te vangen hapje voor krokodillen, tijgers en haaien. Dat merk je aan onze overdreven angst voor groot wild. Bovendien vielen onze voorouders ook nogal eens uit een boom, hadden veel te duchten van giftige slangen, insecten en inslaande bliksem en van .............................. de buren. Deze oerangsten plagen ons nog steeds, terwijl de kans dat een slang ons bijt, de bliksem nu net ons treft of de buurman ons doodslaat inmiddels verwaarloosbaar klein is. We zouden eerder veel voorzichtiger in het verkeer moeten zijn, niet zo vaak op keukentrapjes moeten klimmen en een ziekenhuis slechts in uiterste nood en met argwaan moeten binnengaan. Maar deze moderne gevaren treden we, dom genoeg, in het volste vertrouwen tegemoet, terwijl de kans op een verkeersongeluk echt veel groter is dan de kans op een noodlottige ontmoeting met een wolf of een buurman met een zwaaiende bijl.

Vooral paranoïde angst voor onbekenden zit diep bij ons. Achterdocht ten aanzien van alles dat niet tot de eigen groep behoort – en jou dus waarschijnlijk als eetbaar ziet – heeft onze voorouders vast voor veel onheil behoed maar het liep ook wel eens uit de hand. De archeologische vondsten van ingeslagen schedels getuigen daarvan. Vooral toen mensen op kleine schaal landbouw gingen bedrijven, en dus waardevolle bezittingen kregen zoals varkens, geiten en grond, werd het de moeite waard om de buren te beroven in plaats van zwetend onkruid te wieden of geiten te hoeden. Samenwerken en ruilen, van wezenlijk belang onder jager verzamelaars om te overleven, maakte onder landbouwers geregeld plaats voor moord en roof. Een vreemde voetafdruk diende je dus voortaan met de grootste achterdocht te onderzoeken. Sloeg je geen acht op tekenen van vreemde aanwezigheid in de buurt van je kamp, dan was je kans op voortplanting waarschijnlijk al verkeken. Overlevers onder deze omstandigheden waren die mensen die overal wat achter zochten – een ongewoon kraakje, een raar gevormde tak, een vreemd luchtje – en die niemand op z'n blauwe ogen geloofden. Onze voorliefde voor westerns en griezelfilms getuigt nog steeds van onze diepgewortelde paranoia ten aanzien van vreemden en enge beesten. Naast een erfenis die ons voorbestemt om te ruilen en samen te werken zitten we ook vol met genen uit de tijd van stammen oorlogen en incidentele overvallen. Dat is niet alleen totale verspilling maar ook schadelijk. We zijn gericht op gevaren die verwaarloosbaar klein geworden zijn doordat we deze al lang bezworen hebben met onze cultuur en maatschappelijke organisaties. Van binnen zijn we nog altijd een sidderend prooidier, dat in het donker niet naar buiten durft en bij het minste of geringste naar de wapenen grijpt.

© Roelke Posthumus, januari 2014